Medezeggenschapsblog Leiden

Dé PhD bestaat niet.

Dé PhD bestaat niet.

Met het oog op de aankomende verkiezingen van de universiteitsraad en de afloop van mijn tweejarige termijn als raadslid namens PhDoc, wil ik terugblikken op mijn werkzaamheden als raadslid; de uitdagingen, mogelijkheden en kansen. PhDoc is de personeelspartij die de belangen van PhD’s en postdocs behartigt op centraal universitair niveau.

Als oprichter en eerste voorzitter van de PhD council van het Instituut voor Wijsbegeerte, was het voor mij een logische stap om de kennis en ervaringen die ik in die rol had opgedaan in te zetten binnen de universiteitsraad. Geregeld ontving ik de vraag of ik er niet beter aan zou doen me volledig op mijn academische carrière te richten. In het kielzog van de fameuze opmerking van de wetenschapsfilosoof Bruno Latour: ’Wetenschap is politiek, voortgezet met andere middelen’, is het kritisch bevragen van en meedenken met de wetenschapspraktijk, naar mijn idee een belangrijk onderdeel van het bedrijven van wetenschap zelf.

Wie zijn wetenschappers en wie niet, over wie bedrijven zij wetenschap en over wie niet, voor wie bedrijven ze wetenschap en voor wie niet? Laat ik mijzelf hier beperken tot de eerste vraag in de context van de concrete ervaringen van PhD’s. Dus, wie zijn promovendi en wie niet? En, wat betekent dit voor het werk als raadslid?

Toen ik zelf begon aan mijn promotieonderzoek, was mijn beeld van een PhD dat van een betaalde jonge onderzoeker voor wie een academische carrière in het verschiet ligt. Al snel kwam ik erachter dat de werkelijkheid uiteraard robuuster is. Er is geen sprake van een gelijk speelveld. De omvang van de aanstelling van interne promovendi kan zomaar verschillen per instituut of zelfs promotor. Bovendien zijn er naast deze zogenaamde interne promovendi, externe- en beurs promovendi voor wie andere regels gelden. Het gemak waarmee ik als zogenaamde interne PhD gebruik kan maken van faciliteiten, was niet het gemak van die van mijn collega beurs- of externe PhD. Ook hoefde ik me niet te wapenen tegen de onderschikkende blik gericht op externe promovendi. Opmerkelijk is het dan ook niet dat deze ongelijkheden hun weerslag vinden in de concrete ervaringen van PhD's.

Al snel bleek ook dat ik het beeld moest bijstellen van dat van een jonge onderzoeker voor wie een academische carrière in het verschiet ligt. In Nederland ligt voor slechts 30 procent van de promovendi een wetenschappelijke carrière in het verschiet. Het merendeel van de promovendi moet dus elders een carrière zien te maken. Opmerkelijk is het dan wel dat het bespreken van een niet-wetenschappelijke carrière in veel gevallen voor promovendi een zeer precaire aangelegenheid is. Opmerkelijk is het anderzijds niet dat de gedachte aan deze percentages een angst oproept bij promovendi die veelal teniet wordt gedaan met de gedachte, ‘als ik maar hard genoeg werk’. Wanneer je je werk als promovendus serieus neemt, is het bijna vanzelfsprekend dat je de cultuur van competitie op zo’n manier internaliseert dat het lijkt alsof je handelt naar je eigen belang. Wat ik hiermee bedoel is niet dat promovendi niet kritisch zouden zijn, maar dat het promovendi bijna onmogelijk wordt gemaakt om een kritische positie in te nemen.

Wat betekent dit voor het werk als raadslid? Bovenstaande laat in de eerste plaats zien hoe belangrijk het is dat de belangen van jonge onderzoekers worden vertegenwoordigd in besluitvormingsprocessen binnen de universiteit. Ten tweede laat het zien welke vragen van belang zijn te agenderen: Hoe kan de universiteit bijdragen aan het wegnemen van concrete ongelijkheden tussen de verschillende promovendi ?; Hoe kan de universiteit ervoor zorgen dat promovendi zonder angst voor repercussies, hun noden kenbaar durven te maken en lastige gesprekken durven aan te gaan?; Hoe kan de universiteit de promovendus en de promotor ondersteunen in het tijdig bespreken van de volgende carrière van de promovendus na zijn verdediging?; Hoe kan de universiteit het huidige systeem van waardering en beloning zo herinrichten dat ze ten goede komt aan het belang van de 70 procent promovendi die buiten de academie aan de slag zal gaan?

Tot besluit, ‘de promovendus bestaat niet’, maar is, zoals ik hierboven duidde, het effect van sociale vertogen en de macht die ervan deze vertogen uitgaat, met andere woorden, de promovendus wordt tot promovendus gemaakt. Het lichtpunt hiervan is dat verandering mogelijk is. Want, wat gemaakt wordt kan ook anders gemaakt worden, mits er daartoe een wil is.

Plaats een reactie

Name (required)

E-mail (required)

Een avatar? Ga naar www.gravatar.com

Onthoud mij
Hou me op de hoogte van reacties